Nissan X-Trail e-POWER 2024 Gebruikershandleiding

8.19.2. ProPILOT Assist bedienen

image
  1. Druk op de ProPILOT Assist-schakelaar (A). Hierdoor wordt het ProPILOT Assist-systeem ingeschakeld.

    • Het ProPILOT Assist-statusindicatielampje (B) gaat wit branden.

  2. Accelereer of rem uw auto af tot de gewenste snelheid en druk de <CANCEL> schakelaar omlaag naar SET- (C).

    Het ProPILOT Assist-systeem zal beginnen de ingestelde voertuigsnelheid automatisch aan te houden. Het indicatielampje ProPILOT Assist-activering (D) en het ProPILOT Assist-statusindicatielampje (B) gaan blauw branden. Wanneer een voertuig vooruit wordt gedetecteerd rijdend met een snelheid van 30 km/h (20 MPH) of lager en de <CANCEL> schakelaar wordt omlaag gedrukt naar SET-, dan is de ingestelde voertuigsnelheid 30 km/h (20 MPH).

image

Wanneer de Intelligent Blind Spot Intervention-systemen (indien aanwezig) zijn aangezet in het instellingenmenu van het voertuiginformatiedisplay, dan zullen door het inschakelen van het ProPILOT Assist-systeem tegelijkertijd ook deze systemen ingeschakeld worden. Als het Emergency Lane Assist-systeem (ELA) (indien aanwezig) is uitgezet in het instellingenmenu, dan zal het ELA-systeem automatisch worden ingeschakeld wanneer het stuurhulpsysteem actief is. Zie voor meer informatie

, of .
image

Wanneer de <CANCEL> schakelaar onder de volgende omstandigheden omlaag naar SET- wordt gedrukt, kan het ProPILOT Assist-systeem niet worden ingesteld en gaat het indicatielampje ingestelde voertuigsnelheid (1) gedurende ongeveer 2 seconden knipperen:

  • Wanneer wordt gereden met een snelheid onder de 30 km/u (20 MPH) en de voorligger niet wordt gedetecteerd

  • Wanneer de schakelhendel uit de D-stand (rijden) wordt gehaald

  • Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd

  • Wanneer de bestuurder de remmen bedient

  • Wanneer ProPILOT Park (indien aanwezig) wordt geactiveerd

  • Wanneer het ESP-systeem uit staat. Zie voor meer informatie

    .
  • Wanneer het ESP-systeem (inclusief het tractiecontrolesysteem) wordt geactiveerd

  • Wanneer de modus [SNOW] of de modus [OFF-ROAD] wordt geselecteerd (modellen met 4WD)

  • Wanneer een wiel slipt

  • Wanneer een portier open staat

  • Wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is vastgemaakt

Hoofdonderwerp: