Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding

8.13.2.3. Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)

image
  • A) Bandenventiel met sensor

Het bandenspanningscontrolesysteem bewaakt tijdens het rijden de bandenspanning van alle vier de wielen met behulp van wielelektronica. Volgend op een spanningsverlies zal het systeem de bestuurder op de hoogte brengen met behulp van een visuele waarschuwing. Elke TPMS-sensor (A) is verbonden aan een bepaald, geregistreerd wiel waarvan de bandenspanning en -temperatuur worden gemeten, en welke meetresultaten vervolgens draadloos worden verstuurd naar een ontvanger in de auto.

Elke band, inclusief de reserveband (indien aanwezig), dient maandelijks te worden gecontroleerd in koude toestand en opgepompt tot de bandenspanning die door de fabrikant wordt aanbevolen en die staat aangegeven op het voertuigplaatje of op de bandenspanningssticker. (Als uw auto banden heeft met een andere maat dan die wordt aangegeven op het voertuigplaatje of op de bandenspanningssticker, moet u de juiste bandenspanning bepalen voor die banden.)

Voor extra veiligheid is uw auto voorzien van een bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) dat het waarschuwingslampje lage bandenspanning doet branden wanneer tenminste een van de banden aanzienlijk leeg is. Op deze manier, wanneer het waarschuwingslampje lage bandenspanning gaat branden, moet u zo snel mogelijk stoppen en uw banden controleren en ze oppompen tot de juiste spanning. Rijden met banden met een veel te lage bandenspanning kan oververhitting van de band veroorzaken hetgeen kan leiden tot bandbreuk. Een te lage spanning heeft ook een negatief effect op het energieverbruik en de duurzaamheid van het bandloopvlak, hetgeen het weggedrag en remvermogen kunnen beïnvloeden.

Let op dat het TPMS geen vervanging is voor een juist onderhoud van de banden, en het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om een juiste bandenspanning te behouden, zelfs wanneer de banden nog niet zo leeg zijn dat het waarschuwingslampje lage bandenspanning van het TPMS gaat branden.

Uw auto is tevens voorzien van een TPMS-storingsindicatielampje om aan te geven wanneer het systeem niet correct werkt. Het TPMS-storingsindicatielampje wordt gecombineerd met het waarschuwingslampje voor lage bandenspanning. Als het systeem een storing waarneemt, gaat het TPMS-waarschuwingslampje gedurende ongeveer 1 minuut knipperen waarna het blijft branden. Deze reeks blijft aanhouden tijdens de daarop volgende keren dat de motor gestart wordt, zolang de storing aanwezig is. Als het storingslampje brandt, is het mogelijk dat het systeem de lage bandenspanning niet waarneemt of niet aangeeft zoals bedoeld. Storingen in het TPMS kunnen zich voordoen vanwege verschillende redenen, waaronder het monteren van vervangende of andere banden of wielen die er voor zorgen dat het TPMS niet naar behoren werkt. Controleer altijd of het TPMS-storingswaarschuwingslampje niet brandt nadat u één of meerdere banden of wielen heeft vervangen, om er zeker van te zijn dat de vervangende banden en wielen het TPMS-systeem nog naar behoren laten werken.

Hoofdonderwerp: