Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding

9.22. Vakparkeren

  1. Zet de auto stil bij de plek waar u wenst te parkeren.

  2. Druk de ProPILOT Park-schakelaar in.

    De ProPILOT Park wordt ingeschakeld.

    imageimage
    • Als de rijsnelheid tussen ongeveer 20 km/u en 40 km/u ligt, wordt inparkeren automatisch geselecteerd.

    • ProPILOT Park kan niet worden ingeschakeld in de volgende gevallen:

      • De rijsnelheid is ongeveer 40 km/u of hoger.

      • De buitenspiegels zijn ingeklapt.

      • Het bestuurdersportier, voorpassagiersportier, een van de achterportieren, of de achterklep is open.

      • Het systeem heeft een storing.

      • Het navigatiesysteem begin te werken.

    • ProPILOT Park kan ook worden geactiveerd door op de <CAMERA>-knop te drukken en dan te tikken op [image] op het scherm van de Intelligent Around View Monitor.

    • Terwijl ProPILOT Park is ingeschakeld, worden het volume van het audiosysteem en andere geluiden verminderd.

  3. Rijd langzaam vooruit en stop naast de gewenste parkeerplaats (op een afstand van ongeveer 1 m (3 ft)).

    Stop de auto zodat het pictogram parkeerplaatsdetectie naar het midden van de gewenste parkeerplaats wijst. Zie

    .
  4. Terwijl de auto stilstaat, controleer of image wordt weergegeven in de gewenste parkeerplaats.

    Controleer of het mogelijk is om te parkeren in de ruimte aangegeven door image. Controleer of er geen obstakels op de parkeerplaats en in de omgeving zijn en kijk of de ruimte groot genoeg is om in te parkeren.

    image
    • Controleer direct visueel en met behulp van de spiegels de omgevingsomstandigheden en rem de auto af als deze in aanraking lijkt te komen met een voertuig, persoon of object in de buurt. Als de omstandigheden niet gecorrigeerd worden, stop dan met het gebruik van ProPILOT Park. Tik op [Annuleren] op het scherm om de parkeerbediening te beëindigen.

    • De richtlijnen van de vrije ruimte geven de gebieden aan waar een deel van de auto in kan komen wanneer de auto naar de parkeerplaats rijdt. Probleemloos parkeren is mogelijk wanneer voertuigen, palen en overige obstakels zich aan de buitenkant van de richtlijnen van de vrije ruimte bevinden.

    • Als het parkeervak geen positie aangeeft waar het parkeren daadwerkelijk mogelijk is (door de aanwezigheid van een obstakel of een straatgoot), stel dan zelf een geschikte parkeerplaats in.

    image
    • Wanneer de auto gestopt is en de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt wordt gehouden zonder dat op [Starten] getikt wordt, zullen de remmen automatisch geactiveerd worden zodat de auto stil blijft staan. Om de auto in beweging te brengen, bedient u de schakelpook en drukt u langzaam het gaspedaal in.

    • De parkeermethode kan gewijzigd worden door op het pictogram parkeermethodekeuze te tikken. Raadpleeg

      .
    • De parkeerpositie kan geselecteerd worden door te tikken op het pictogram van de selecteerbare parkeerpositie (image).

    • Als de richtingaanwijzer wordt bediend, zullen parkeerplaatsen aan de zijde die overeenkomt met de richtingaanwijzer worden gedetecteerd.

  5. Houd het rempedaal ingetrapt en tik op [Starten] op het scherm.

    De parkeerbediening start.

    Wanneer de bediening start, wordt het pictogram van de ProPILOT Park-bediening groen en worden de remmen automatisch geactiveerd om te zorgen dat de auto stil blijft staan. Parkeerbediening kan niet worden gestart als het systeem vaststelt dat de parkeerplaats niet bereikt kan worden door de aanwezigheid van een obstakel dat is gedetecteerd door de parkeersensoren (sonar) en de camera’s.

    Parkeer in dat geval de auto zelf.

    image
    • De richtingaanwijzer wordt automatisch geactiveerd aan die zijde waar de parkeerplaatsen zijn gedetecteerd.

    • Wanneer u tikt op [Annuleren] stopt de auto, wordt de parkeerrem geactiveerd en wordt ProPILOT Park uitgeschakeld. Als op deze toets wordt getikt voordat de parkeerbediening van start is gegaan, zal het scherm terugkeren naar het vorige scherm en zal het detecteren van de parkeerpositie hervat worden.

    • Door het gaspedaal te bedienen worden de remmen gelost.

    • Wanneer de parkeerbediening is gestart, wordt de parkeersensorfunctie (sonar) automatisch ingeschakeld. Wanneer ProPILOT Park wordt uitgeschakeld, keert de parkeersensorfunctie (sonar) terug naar de conditie die was ingesteld op het voertuiginformatiedisplay.

    • Wanneer de parkeerbediening actief is, zal het scherm niet veranderen, ook al wordt <MAP>, <MENU>, of <AUDIO> ingedrukt.

    • Door op <CAMERA> te drukken, wordt ProPILOT Park uitgeschakeld. Zie voor meer informatie

      .
  6. Terwijl u de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt houdt, laat u geleidelijk het rempedaal los en rijdt u langzaam vooruit.

    De auto rijdt naar de rechthoek met de positiewijziging (in de richting van de pijl op het voertuigpictogram).

    Trap op het rempedaal en pas de rijsnelheid aan afhankelijk van de omgevingsomstandigheden.

    Door de ProPILOT Park-schakelaar los te laten stopt de auto. Houd de schakelaar nogmaals ingedrukt om de auto weer in beweging te brengen.

    image
    • De route naar de parkeerplaats en het aantal stuurmanoeuvres variëren afhankelijk van de ingestelde parkeerplaats en de positie van de obstakels die door de parkeersensoren (sonar) en camera’s gedetecteerd worden.

    • Parkeerbediening kan in de volgende gevallen niet worden gestart. Houd na het corrigeren van de omstandigheden de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt om de parkeerbediening te hervatten.

      • De veiligheidsgordel van de bestuurder is niet vastgemaakt.

      • De schakelstand is P (parkeren).

      • De elektrische parkeerrem is geactiveerd.

      • Het ESP-systeem wordt uitgeschakeld

    • Parkeerbediening kan niet worden gestart wanneer de auto op een steile helling staat. Parkeer de auto zelf.

  7. Wanneer de auto de rechthoek (groen) met de positiewijziging inrijdt, verandert de stand van de schakelpook automatisch.

    Als het niet mogelijk is om door te rijden tot de rechthoek met de positiewijziging (groen) wegens een obstakel, trap dan het rempedaal in en stop de auto vlakbij het obstakel. Zet de schakelhendel in een andere stand om van richting te veranderen. Raadpleeg

    .
    image

    Parkeerbediening wordt mogelijk automatisch beëindigd als het systeem bepaalt dat het niet mogelijk is om de parkeerplaats te bereiken wegens een obstakel dat gedetecteerd wordt door de parkeersensoren (sonar) of de camera’s. Rijd de auto naar een meer geschikte plaats.

  8. Wanneer de auto in het parkeervak staat (rood), stopt de auto en wordt de parkeerbediening beëindigd.

    De bestuurder wordt door middel van een geluidssignaal en het display op de hoogte gesteld van de beëindiging van de parkeerbediening.

    Op dit moment verandert de schakelstand in P (parkeren) en wordt de elektrische parkeerrem geactiveerd.

    Wanneer de parkeerbediening eindigt, laat u de ProPILOT Park-schakelaar los.

    Parkeerbediening kan mogelijk automatisch beëindigd worden voordat de auto in het parkeervak (rood) staat.

    Als het niet mogelijk is om het parkeergeleidingsvak te bereiken door de aanwezigheid van een obstakel of om een andere reden, trap dan het rempedaal in om de auto te stoppen en tik vervolgens op [Annuleren] op het scherm om ProPILOT Park uit te schakelen. Parkeer de auto zelf of rijd de auto naar een meer geschikte plaats.

    image

    Als de richtlijnen van de vrije ruimte contact maken met een geparkeerd voertuig of een ander obstakel, detecteert de parkeersensor (sonar) mogelijk een obstakel en stopt de auto, waardoor het systeem wordt verhinderd om de parkeerprocedure te voltooien.

Hoofdonderwerp: