Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding

9.8.1.2. LDW-systeem inschakelen/uitschakelen

Voer de volgende stappen uit om het LDW-systeem in of uit te schakelen.

  1. Selecteer in het menu [Instellingen] de toets [Bestuurdersmodus].

  2. Selecteer het submenu [Rijstrook] door te drukken op <OK>.

  3. Een vinkje naast [Lane Departure Warning] geeft aan dat het systeem AANstaat.

image

Als u het LDW-systeem uitschakelt met behulp van het menu [Instellingen], zal het systeem uitgeschakeld blijven de eerstvolgende keer dat u het EV-systeem van de auto start.

image

Hieronder worden de systeembeperkingen van het Lane Departure Warning-systeem beschreven. Nalaten om de auto te bedienen in overeenstemming met deze systeembeperkingen kan leiden tot ernstig letsel of de dood.

  • Dit systeem werkt niet bij snelheden onder ongeveer 60 km/u (37 MPH) of als de rijstrookmarkeringen niet gedetecteerd kunnen worden

  • Gebruik het LDW-systeem niet onder de volgende omstandigheden, aangezien het dan mogelijk niet goed werkt:

    • Tijdens slecht weer (regen, mist, sneeuw, enz.).

    • Wanneer u op glad wegdek rijdt, zoals op ijs of sneeuw.

    • Wanneer u op bochtige of ongelijke wegen rijdt.

    • Wanneer een rijstrook afgesloten is wegens wegwerkzaamheden.

    • Wanneer u op een tijdelijke of geïmproviseerde rijstrook rijdt.

    • Wanneer u op een te smalle rijstrook rijdt.

    • Wanneer de banden niet in optimale conditie verkeren (bijvoorbeeld, banden zijn versleten, hebben te lage spanning, een reservewiel is geïnstalleerd, u heeft sneeuwkettingen aangebracht, of niet de normale wielen).

    • Wanneer de auto is uitgerust met niet-originele remonderdelen of ophangingsonderdelen.

  • Het systeem zal mogelijk niet correct werken onder de volgende omstandigheden:

    • Op wegen met meerdere parallelle rijstrookmarkeringen; vage rijstrookmarkeringen; gele rijstrookmarkeringen; ongewone rijstrookmarkeringen; of rijstrookmarkeringen die bedekt zijn met water, vuil, sneeuw, enz.

    • Op wegen waar onderbroken markeringen nauwelijks zichtbaar zijn.

    • Op wegen met scherpe bochten.

    • Op wegen met scherp contrasterende objecten, zoals schaduwen, sneeuw, water, wielsporen, naden of lijnen die zijn achtergebleven na wegwerkzaamheden. (Het LDW-systeem kan deze zaken mogelijk interpreteren als rijstrookmarkeringen.)

    • Op wegen waar rijstroken samengevoegd of gesplitst worden.

    • Wanneer de rijrichting van het voertuig niet op een lijn ligt met de rijstrookmarkering.

    • Wanneer u dicht op de auto voor u rijdt, waardoor het detectiebereik van de camera belemmerd wordt.

    • Bij regen, sneeuw, vuil of een voorwerp op de voorruit voor de rijstrookcamera.

    • Wanneer de koplampen niet genoeg licht afgeven door vuil op de lens of verkeerde afstelling.

    • Wanneer er scherp licht in de camera schijnt. (Bijvoorbeeld direct zonlicht bij zonsopgang of zonsondergang.)

    • Bij plotselinge veranderingen in de lichtomstandigheden. (Bijvoorbeeld wanneer het voertuig een tunnel in- of uitrijdt of onder een brug doorrijdt.)

Hoofdonderwerp: