Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding

9.22.9. Voorzorgsmaatregelen bij ProPILOT Park

image
  • Probeer niet te rijden terwijl u alleen op het scherm kijkt.

    De kans bestaat dat u een obstakel raakt of onverwachts een ongeluk veroorzaakt.

  • Let op het verkeer van voertuigen en personen in de omgeving.

    Parkeerondersteuning wordt geboden door effectief gebruik te maken van de gedetecteerde koers. Let op tegemoetkomend verkeer, achteropkomend verkeer en voetgangers wanneer u de parkeerbediening gebruikt.

  • Drempels kunnen niet gedetecteerd worden en er bestaat de kans dat ook stoepranden niet gedetecteerd kunnen worden.

    Trap het rempedaal in om de auto te stoppen als de wielen de stoeprand lijken te raken of als de auto over een drempel lijkt te rijden. De kans bestaat dat de auto beschadigd wordt.

  • Wanneer de parkeerondersteuning door ProPILOT Park niet langer nodig is, schakelt u ProPILOT Park uit.

    Als ProPILOT Park ingeschakeld blijft, bestaat de kans dat er onverwachts een ongeluk gebeurt.

  • Controleer voordat u uit de auto stapt of de elektrische parkeerrem is geactiveerd en de schakelhendel in de P-stand (parkeren) staat.

  • Controleer voordat u ProPILOT Park gebruikt rechtstreeks of er voldoende ruimte rond de auto is om de stuurmanoeuvres en de overige parkeerhandelingen uit te voeren.

  • Afhankelijk van de omstandigheden, kunnen geluiden binnen of buiten de auto verhinderen dat de bestuurder het waarschuwingssignaal hoort.

  • Gebruik ProPILOT Park niet onder de volgende omstandigheden:

    • Op een plaats waar veel voertuigen en personen aan het verkeer deelnemen

    • Op een plaats waar stoppen of parkeren verboden is

    • Op een plaats die te smal is om uw auto in te parkeren

    • Op een plaats waar parkeren niet mogelijk is wegens een kuil, greppel, enz.

    • Op een plaats waar de straat te smal is

    • Op een steile helling

    • Op grindwegen, zandwegen of onverharde wegen

    • Op een gladde ondergrond, zoals op sneeuw of ijs

    • Op een weg die niet vlak is wegens een helling, drempels, stoepranden, rijsporen of om andere redenen

    • Op een weg waar het asfalt is gesmolten door blootstelling aan extreme hitte

    • Op een plaats met wegdekverwarming (verwarming die voorkomt dat het wegdek bevriest) op het parkeerterrein

    • Bij een mechanisch parkeersysteem waar obstakels in de parkeerplaatsen te vinden zijn

    • Wanneer de auto overbelast is

    • Wanneer versleten banden, een noodwiel, een reservewiel, of sneeuwkettingen worden gebruikt

    • Wanneer de bandenspanning niet correct is

    • Wanneer een trekhaak of gelijksoortig element geïnstalleerd is

    • Wanneer een object is bevestigd dat het gezichtsveld van de camera’s belemmert

    • Wanneer de camerabeelden moeilijk te zien zijn door vuil, zonlicht, schaduwen, of om andere redenen

    • Wanneer de buitenspiegels niet volledig zijn uitgeklapt

    • Wanneer de camera’s niet goed zijn geïnstalleerd

    • Wanneer een element op de bumper is geïnstalleerd dat de werking van de parkeersensoren (sonar) belemmert

    • Wanneer er een deuk of andere onregelmatigheid in de bumper zit

    • Wanneer de parkeersensoren (sonar) worden bedekt door regen, sneeuw, modder, of een andere substantie

    • Wanneer de beladen auto overhelt door een extreem zware lading of doordat de auto slechts aan één zijde belast is

  • Onder de volgende omstandigheden zijn de parkeersensoren (sonar) en de camera’s mogelijk niet in staat om een obstakel te detecteren, waardoor de parkeerpositie of de posities waarin stuurmanoeuvres worden uitgevoerd mogelijk niet correct worden ingesteld. Trap in aanwezigheid van een obstakel op het rempedaal en stop de auto, of voer andere geschikte rijmanoeuvres uit.

    • In aanwezigheid van personen, dieren, of andere obstakels. Het is in het bijzonder vaak niet mogelijk om personen te detecteren door het type kleding dat ze dragen.

    • Korte obstakels

    • Plaatsen die onder het grondniveau liggen, zoals greppels of kuilen

    • Palen of andere smalle obstakels

    • Smalle obstakels, zoals snoeren, touwen, of kettingen

    • Obstakels met een draadachtige structuur, zoals metaalgaas, omheiningen en winkelwagens

    • Obstakels met scherpe vormen

    • Leidingen en andere obstakels die op muren of gelijksoortige structuren zijn aangebracht

    • Obstakels die hoog gelegen zijn

    • Sponzige objecten, sneeuw, of andere obstakels met een zacht oppervlak die geluidsgolven kunnen absorberen

    • Obstakels die zich vlakbij de bumper bevinden

    • Obstakels die plotseling in het detectiebereik van de parkeersensoren (sonar) komen wanneer de auto draait

    • Obstakels die de auto snel naderen

    • Obstakels die zich aan de zijkant van de auto bevinden

    • Obstakels die zich niet parallel aan de voor- en achterkant van de auto bevinden

    • Wanneer de parkeersensoren (sonar) bevroren zijn, of bedekt met regen, sneeuw, ijs, vuil, of een andere substantie

    • Wanneer de auto aanzienlijk overhelt

    • Bij extreem hoge of lage temperaturen

    • Bij het rijden op slechte wegen, heuvels, grindwegen, of gras

    • Wanneer er harde geluiden zijn in de omgeving

    • In de nabijheid van een apparaat dat ultrasone trillingen produceert (inclusief voertuigen uitgerust met sensoren (sonar))

    • Wanneer de auto nat wordt door regen of water

    • In een donkere omgeving, bijvoorbeeld ‘s nachts, in ondergrondse locaties of in een bovengrondse parkeergarage

    • Wanneer de lijnen van een parkeerplaats niet duidelijk zichtbaar zijn door slechte weersomstandigheden (regen, sneeuw, mist, stof, zand- of sneeuwstormen)

    • Wanneer de cameralens beslagen is door contact met water

    • Wanneer sterk licht van de zon of van straatverlichting op de weg schijnt

    • Wanneer het wegdek nat is en glimt, zoals tijdens of na een regenbui, of wanneer er plasjes zijn op de weg

    • Wanneer zonlicht op de camera schijnt, zoals in de ochtend of in de avond

    • Wanneer de cameralens vies is of bedekt is met waterdruppels

    • Wanneer een object is bevestigd dat het gezichtsveld van de camera belemmert

  • Onder de volgende omstandigheden kunnen de remmen geactiveerd worden, of is een correcte parkeerbediening wellicht niet mogelijk.

    • Wanneer de parkeersensoren (sonar) worden bedekt door regen, sneeuw, ijs, vuil, of een andere substantie

    • Wanneer er harde geluiden zijn in de omgeving

    • In de nabijheid van een apparaat dat ultrasone trillingen produceert (inclusief voertuigen uitgerust met sensoren (sonar))

    • Wanneer dik gras in de omgeving aanwezig is

    • Wanneer de auto langs een constructie met hobbels of holten rijdt

    • Wanneer een constructie (zoals een muur, tolheffingsapparatuur, of slagboom van het parkeerterrein) zich aan de zijkant van de auto bevindt

    • Wanneer er een drempel, uitstekende object of putrand op de weg aanwezig is

    • Wanneer de auto onder een uithangende vlag, plastic gordijn, of gelijksoortig voorwerp doorrijdt

    • Wanneer er klompen sneeuw rond de auto liggen

  • Onder de volgende omstandigheden is een correcte parkeerbediening naar de ingestelde positie wellicht niet mogelijk. Rijd de auto indien nodig naar een meer geschikte positie.

    • Wanneer het wegdek niet vlak is

    • Wanneer de auto overhelt door een extreem zware lading of doordat de auto slechts aan één zijde belast is

  • Onder de volgende omstandigheden is het wellicht onmogelijk of zeer moeilijk om een parkeerpositie te detecteren.

    • Wanneer de auto zich te dichtbij de parkeerplaats bevindt

    • Op een parkeerterrein zonder markeerlijnen, waar de parkeerplaatsen gecreëerd worden met behulp van touwen, blokken of andere middelen

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats niet duidelijk zichtbaar zijn door verkleuring of vuil

    • Wanneer het contrast tussen de weg en de lijnen van de parkeerplaats klein is

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats op de weg geel zijn of van een andere kleur behalve wit

    • Wanneer de parkeerplaats zeer smal of breed is

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats zeer kort zijn

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats zeer smal of breed zijn

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats niet parallel liggen op de camerabeelden door de helling van het parkeerterrein of om andere redenen

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats verbonden zijn met diagonale lijnen of met andere markeringen

    • Wanneer de schaduw van de auto, de schaduw van bomen, of andere schaduwen op de lijnen van de parkeerplaats liggen

    • Wanneer een aanpalend voertuig of een ander obstakel zich op de lijnen van de parkeerplaats bevindt

    • Wanneer een obstakel zich op de parkeerplaats bevindt

    • In een donkere omgeving, bijvoorbeeld ‘s nachts, in ondergrondse locaties of in een bovengrondse parkeergarage

    • Wanneer de lijnen van een parkeerplaats niet duidelijk zichtbaar zijn door slechte weersomstandigheden (regen, sneeuw, mist, stof, zand- of sneeuwstormen)

    • Wanneer de cameralens beslagen is door contact met water

    • Wanneer de zon of straatverlichting wordt weerspiegeld door de weg

    • Wanneer sterk licht van de zon of van straatverlichting op de weg schijnt

    • Wanneer het wegdek nat is en glimt, zoals tijdens of na een regenbui, of wanneer er plasjes zijn op de weg

    • Wanneer zonlicht op de camera schijnt, zoals in de ochtend of in de avond

    • Wanneer de cameralens vies is of bedekt is met waterdruppels

    • Wanneer een object is bevestigd dat het gezichtsveld van de camera belemmert

    • Wanneer er een drempel, goot, wegmarkering, overgespoten lijn, of gelijksoortig element is

    • Wanneer er opgehoopte sneeuw of smeltmiddelen voor sneeuw liggen

    • Wanneer het parkeerterrein is geplaveid met stenen of bedekt met gebladerte

    • Wanneer op de parkeerplaats het beeld van een geluidspatroon op het scherm te zien is

    • Wanneer letters of andere tekens op de parkeerplaats geverfd zijn

    • Wanneer de kleur en helderheid van de weg niet overeenkomen

    • Wanneer de auto als deze gestopt is overhelt ten opzichte van de parkeerplaats

    • Wanneer de straat smal is

    • Wanneer een obstakel zich vóór de auto bevindt

    • Wanneer de parkeersensoren (sonar) worden bedekt door regen, sneeuw, ijs, vuil, of een andere substantie

    • Wanneer er harde geluiden zijn in de omgeving

    • In de nabijheid van een apparaat dat ultrasone trillingen produceert (inclusief voertuigen uitgerust met sensoren (sonar))

    • Wanneer dik gras in de omgeving aanwezig is

    • Wanneer er een drempel, uitstekende object of putrand op de weg aanwezig is

    • Wanneer er klompen sneeuw rond de auto liggen

  • Onder de volgende omstandigheden wordt de parkeerpositie mogelijk niet gedetecteerd op de correcte locatie.

    • Wanneer er een licht is dat overeenkomsten vertoont met de lijnen van de parkeerplaats, de weerspiegeling van een gebouw of ander object, een drempel, goot, wegmarkering, overgespoten lijn, of gelijksoortige elementen

    • Wanneer er markeringen zijn van wegwerkzaamheden, op de weg gedrukte letters, palen, of andere obstakels

    • Wanneer het wegdek nat is en glimt, zoals tijdens of na een regenbui, of wanneer er plasjes zijn op de weg

    • Wanneer de kleur en helderheid van de weg niet overeenkomen

    • Wanneer het parkeerterrein zich op een helling bevindt

    • Wanneer de treeplank van de auto of een schaduw boven de lijn van de parkeerplaats komt te liggen

    • Wanneer de lijnen van de parkeerplaats niet duidelijk zichtbaar zijn door verkleuring of vuil

    • Wanneer het systeem wordt beïnvloed door de schaduw van de auto of de schaduwen van bomen

Hoofdonderwerp: