Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding

9.21. Inparkeren

  1. Rijd vooruit met gematigde snelheid.

  2. Druk de ProPILOT Park-schakelaar in.

    De ProPILOT Park wordt ingeschakeld.

    imageimage
    • ProPILOT Park kan niet worden ingeschakeld in de volgende gevallen:

      • De rijsnelheid is ongeveer 40 km/u of hoger.

      • De buitenspiegels zijn ingeklapt.

      • Het bestuurdersportier, voorpassagiersportier, een van de achterportieren, of de achterklep is open.

      • Het systeem heeft een storing.

      • Het navigatiesysteem begin te werken.

    • ProPILOT Park kan ook worden geactiveerd door op de <CAMERA>-knop te drukken en dan te tikken op [ image ] op het scherm van de Intelligent Around View Monitor.

    • Terwijl ProPILOT Park is ingeschakeld, worden het volume van het audiosysteem en andere geluiden verminderd.

  3. Rijd langzaam vooruit en het systeem zal een parkeerplaats zoeken.

    Het systeem geeft een geluidssignaal en wijst aan image wanneer een parkeerplek wordt gedetecteerd en wanneer de auto de juiste positie heeft bereikt om achteruit te rijden. Trap het rempedaal in om de auto te stoppen.

    image

    Controleer direct visueel en met behulp van de spiegels de omgevingsomstandigheden en rem de auto af als deze in aanraking lijkt te komen met een voertuig, persoon of object in de buurt. Als de omstandigheden niet gecorrigeerd worden, stop dan met het gebruik van ProPILOT Park. Tik op [Annuleren] op het scherm om de parkeerbediening te beëindigen. Raadpleeg

    .
    image
    • Als de instelling [Auto. selectie van parkeerzijde] wordt geactiveerd en parkeerplaatsen aan beide zijden worden gedetecteerd. De richtingaanwijzer kan worden gebruikt om de gewenste zijde te selecteren als parkeerplaatsen aan beide zijden worden gedetecteerd.

    • Ook als het systeem eenmaal een parkeerplaats heeft gedetecteerd, kan deze plaats mogelijk verdwijnen of wordt de parkeerprocedure mogelijk niet gestart afhankelijk van de omstandigheden van obstakels, zoals de breedte van het gangpad.

    • Wanneer de auto gestopt is en de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt wordt gehouden zonder dat op [Starten] getikt wordt, zullen de remmen automatisch geactiveerd worden zodat de auto stil blijft staan. Om de auto in beweging te brengen, bedient u de schakelpook en drukt u langzaam het gaspedaal in.

    • De parkeermethode kan gewijzigd worden door op het pictogram parkeermethodekeuze te tikken. Raadpleeg

      .
    • Als de richtingaanwijzer wordt bediend, zullen parkeerplaatsen aan de zijde die overeenkomt met de richtingaanwijzer worden gedetecteerd.

  4. Houd het rempedaal ingetrapt en tik op [Starten] op het scherm of zet de schakelpook in de R-stand (achteruit).

    De parkeerbediening start.

    Wanneer de bediening start, wordt het pictogram van de ProPILOT Park-bediening groen en worden de remmen automatisch geactiveerd om te zorgen dat de auto stil blijft staan. Parkeerbediening kan niet worden gestart als het systeem vaststelt dat de parkeerplaats niet bereikt kan worden door de aanwezigheid van een obstakel dat is gedetecteerd door de parkeersensoren (sonar) en de camera’s.

    Parkeer in dat geval de auto zelf.

    image
    • De richtingaanwijzer wordt automatisch geactiveerd aan die zijde waar de parkeerplaatsen zijn gedetecteerd.

    • Wanneer u tikt op [Annuleren] stopt de auto, wordt de parkeerrem geactiveerd en wordt ProPILOT Park uitgeschakeld. Als op de [Annuleren]-toets wordt getikt voordat de parkeerbediening van start is gegaan, zal het systeem terugkeren naar het vorige scherm en zal het detecteren van de parkeerpositie hervat worden.

    • Door het gaspedaal te bedienen worden de remmen gelost.

    • Wanneer de parkeerbediening is gestart, wordt de parkeersensorfunctie (sonar) automatisch ingeschakeld. Wanneer ProPILOT Park wordt uitgeschakeld, keert de parkeersensorfunctie (sonar) terug naar de conditie die was ingesteld op het voertuiginformatiedisplay.

    • Wanneer de parkeerbediening actief is, zal het scherm niet veranderen, ook al wordt <MAP>, <MENU>, of <AUDIO> ingedrukt.

    • Door op <CAMERA> te drukken, wordt ProPILOT Park uitgeschakeld. Zie voor meer informatie

      .
  5. Terwijl u de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt houdt, laat u geleidelijk het rempedaal los en rijdt u langzaam achteruit.

    De auto rijdt naar de rechthoek met de positiewijziging (in de richting van de pijl op het voertuigpictogram).

    Trap op het rempedaal en pas de rijsnelheid aan afhankelijk van de omgevingsomstandigheden.

    Door de ProPILOT Park-schakelaar los te laten stopt de auto. Houd de schakelaar nogmaals ingedrukt om de auto weer in beweging te brengen.

    image
    • De route naar de parkeerplaats en het aantal stuurmanoeuvres variëren afhankelijk van de ingestelde parkeerplaats en de positie van de obstakels die door de parkeersensoren (sonar) en camera’s gedetecteerd worden.

    • Parkeerbediening kan in de volgende gevallen niet worden gestart. Houd na het corrigeren van de omstandigheden de ProPILOT Park-schakelaar ingedrukt om de parkeerbediening te hervatten.

      • De veiligheidsgordel van de bestuurder is niet vastgemaakt.

      • De schakelstand is P (parkeren).

      • De elektrische parkeerrem is geactiveerd.

      • Het ESP-systeem wordt uitgeschakeld

    • Parkeerbediening kan niet worden gestart wanneer de auto op een steile helling staat. Parkeer de auto zelf.

    • Wanneer het ProPILOT Park-systeem de rijrichting van de auto verandert, wordt er een korte pauze ingelast.

  6. Wanneer de auto de rechthoek (groen) met de positie voor de volgende richtingswijziging inrijdt, verandert de stand van de schakelhendel automatisch.

    Als het niet mogelijk is om door te rijden tot de rechthoek met de positie voor richtingswijziging (groen) wegens een obstakel, trap dan het rempedaal in en stop de auto vlakbij het obstakel. Zet de schakelhendel in een andere stand om van richting te veranderen. Raadpleeg

    .
    image

    Parkeerbediening wordt mogelijk automatisch beëindigd als het systeem bepaalt dat het niet mogelijk is om de parkeerplaats te bereiken wegens een obstakel dat gedetecteerd wordt door de parkeersensoren (sonar) of de camera’s. Rijd de auto naar een meer geschikte plaats.

  7. Wanneer de auto in het parkeervak staat (rood), stopt de auto en wordt de parkeerbediening beëindigd.

    De bestuurder wordt door middel van een geluidssignaal en het display op de hoogte gesteld van de beëindiging van de parkeerbediening.

    Op dit moment verandert de schakelstand in P (parkeren) en wordt de elektrische parkeerrem geactiveerd.

    Wanneer de parkeerbediening eindigt, laat u de ProPILOT Park-schakelaar los.

    Parkeerbediening kan mogelijk automatisch beëindigd worden voordat de auto in het parkeervak (rood) staat.

    Als het niet mogelijk is om het parkeergeleidingsvak te bereiken door de aanwezigheid van een obstakel of om een andere reden, trap dan het rempedaal in om de auto te stoppen en tik vervolgens op [Annuleren] op het scherm om ProPILOT Park uit te schakelen. Parkeer de auto zelf of rijd de auto naar een meer geschikte plaats.

Hoofdonderwerp: