Nissan LEAF 2023 Gebruikershandleiding
9.17.8.2. Systeembeperkingen van het IEB-systeem met voetgangersdetectie

Hieronder worden de systeembeperkingen van het IEB-systeem beschreven. Nalaten om de auto te bedienen in overeenstemming met deze systeembeperkingen kan leiden tot ernstig letsel of de dood.
Het IEB-systeem kan niet alle voertuigen of voetgangers onder alle omstandigheden detecteren.
Het IEB-systeem is niet in staat om het volgende te detecteren:
Kleine voetgangers (bijvoorbeeld, kinderen), in zithouding, die speelgoed bedienen/skateboards gebruiken, op scooters of in een rolstoel, of in een andere dan staande of loophouding.
Dieren van welke omvang dan ook.
Obstakels (bijvoorbeeld, vracht of afvalmateriaal) op de weg of langs de weg.
Tegemoetkomende of kruisende voertuigen.
Voertuigen waarvan de banden moeilijk te zien zijn of waarvan de vorm van de achterkant onduidelijk of belemmerd is.
Geparkeerde voertuigen.
Het IEB-systeem heeft enkele werkingsbeperkingen.
Wanneer een stilstaand voertuig zich in de route van de auto bevindt, zal het IEB-systeem niet werken wanneer de auto met snelheden boven ongeveer 80 km/u (50 mph) rijdt.
De voetgangersdetectie zal niet werken wanneer de auto harder rijdt dan ongeveer 60 km/u (37 mph) of langzamer dan ongeveer 10 km/u (6 mph).
Bij voetgangers zal het IEB-systeem geen eerste waarschuwing geven.
Het IEB-systeem werkt mogelijk niet goed of kan geen voorliggers of voetgangers vóór u detecteren onder de volgende omstandigheden:
Bij slecht zicht (zoals bij regen, sneeuw, mist, stofstormen, zandstormen, rook en opspattend water of modder van andere voertuigen).
Als vuil, ijs, sneeuw, mist of ander materiaal het radarsensoroppervlak of cameragedeelte van de voorruit bedekt.
Als sterk licht (bijvoorbeeld, zonlicht of grootlicht) op de voorcamera schijnt of als er een plotselinge verandering in lichtsterkte optreedt (bijvoorbeeld, als u een tunnel inrijdt, of als het bliksemt).
In het donker of bij slechte lichtomstandigheden, zoals 's nachts of in tunnels, waaronder gevallen waarin de koplampen van uw auto gedimd of uit zijn, of waarin de achterlichten van de voorligger uit staan.
Wanneer de richting van de camera niet goed is uitgelijnd.
Wanneer u rijdt op een steile neerwaartse helling, op wegen met scherpe bochten en/of op hobbelige of onverharde wegen.
Bij storing veroorzaakt door andere radarbronnen.
Wanneer de positie of beweging van uw voertuig snel of aanzienlijk verandert (bijvoorbeeld, bij het wisselen van rijstrook, omkeren van het voertuig, plotselinge stuurmanoeuvre, abrupt accelereren of afremmen).
Wanneer uw auto of het voertuig of de voetganger vóór u snel of aanzienlijk beweegt, en wel zodanig dat het systeem dit niet op tijd kan detecteren en niet op tijd kan reageren (bijvoorbeeld, een voetganger die van dichtbij snel naar de auto loopt, een voertuig dat afsnijdt, van rijstrook wisselt, een bocht maakt, een abrupte stuurmanoeuvre maakt, plotseling accelereert of afremt).
Wanneer het voertuig of de voetganger afwijkt van het voorwaartse traject van de auto.
Als het verschil in snelheid tussen de twee voertuigen klein is.
Als het profiel van de voetganger gedeeltelijk verhuld of niet te achterhalen is; bijvoorbeeld, door bagage die gedragen wordt, een kinderwagen die geduwd wordt, door volumineuze of loszittende kleding of accessoires die gedragen worden, of wanneer een unieke lichaamshouding aangenomen wordt (zoals wanneer de handen opgestoken worden).
Er is onvoldoende contrast van een persoon ten opzichte van de achtergrond, bijvoorbeeld de kleur of het patroon van de kleding komt overeen met dat van de achtergrond.
Gedurende ongeveer 15 seconden na het starten van het EV-systeem.
Als het voertuig vóór u een unieke of ongewone vorm heeft, de vrije hoogtes ervan zeer laag of zeer hoog zijn, een ongebruikelijke vrachtlading heeft of smal is (bijvoorbeeld, een motorfiets).
Wanneer het voertuig of de voetganger zich dichtbij een verkeersbord, een reflecterend oppervlak (bijvoorbeeld, water op de weg), of in een beschaduwd gebied bevindt.
Wanneer meerdere voetgangers bij elkaar staan.
Wanneer het zicht van de voetganger belemmerd wordt door een voertuig of ander object.
De systeemprestaties kunnen mogelijk afnemen onder de volgende omstandigheden:
De auto rijdt op een glad wegdek.
De auto rijdt op een helling.
Wanneer de achterbank of bagageruimte van uw auto is volgeladen met zeer zware bagage.
Het systeem is ontworpen om de functionaliteit van de sensor (radar en camera) automatisch te controleren, binnen bepaalde beperkingen. Het systeem detecteert mogelijk bepaalde soorten belemmering van het sensoroppervlak niet, zoals bijvoorbeeld ijs, sneeuw, of stickers. In zulke gevallen kan het systeem de bestuurder mogelijk niet goed waarschuwen. Controleer het sensoroppervlak regelmatig en reinig het zo nodig.
In sommige weg- en verkeersomstandigheden kan het IEB-systeem mogelijk onverwacht licht remmen. Wanneer er gas gegeven moet worden, druk dan het gaspedaal in om het systeem te omzeilen.
Het IEB-systeem kan mogelijk in werking treden wanneer een patroon, object, schaduw of lichten worden gedetecteerd die lijken op de omtrek van voertuigen, voetgangers of wanneer ze dezelfde afmetingen en positie hebben als de achterlichten van een voertuig.
Het systeem kan in werking blijven wanneer de voorligger naar rechts of naar links afslaat.
Het systeem kan in werking treden wanneer uw auto een voorligger nadert en inhaalt.
Afhankelijk van de vorm van de weg (bochtige weg, begin en einde van een bocht, slingerige weg, rijstrookregeling, bij wegwerkzaamheden, enz.) kan het systeem tijdelijk in werking treden voor het tegemoetkomende voertuig vóór uw auto.
Het IEB-systeem kan mogelijk reageren op de aanwezigheid van:
objecten langs de weg (verkeersborden, vangrails, voetgangers, voertuigen, enz.)

objecten boven de weg (een lage brug, verkeersborden, enz.)
objecten op het wegdek (spoorrails, roosters, stalen platen, enz.)
objecten in een parkeergarage (balken, pilaren, enz.)
voetgangers of motorfietsen die de rijstrook naderen
voertuigen, voetgangers, of objecten in aangrenzende rijstroken of dichtbij de auto
naderende voetgangers
objecten op de weg (zoals bomen)
Een voetganger nadert de rijstrook vóór het voertuig.

De remweg is langer op glad wegdek.
Overmatig lawaai kan het geluid van het waarschuwingssignaal overstemmen waardoor het mogelijk niet gehoord wordt.

Op sommige wegen zoals bochtige, heuvelachtige, of smalle wegen, of wegen met wegwerkzaamheden, kan de sensor mogelijk voertuigen detecteren op een andere rijstrook of een voorligger tijdelijk niet detecteren. Hierdoor kan het systeem slecht werken.
Het detecteren van voorliggers kan ook beïnvloed worden door de bediening van de auto (stuurmanoeuvre of positie op de rijstrook, enz.) of de voertuigconditie. In dat geval kan het systeem u mogelijk waarschuwen door middel van het knipperen van het systeemindicatielampje en het onverwachts afgeven van een geluidssignaal. U zult dan handmatig de juiste afstand tot de voorligger moeten controleren.